Online luisteren

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

Preken

Koningskerk 07 - 02 - 2010

door ds. L. Krüger

wij hebben goed nieuws voor u!

Schriftlezing: II Kon. 6: 26 - 7: 9
Allereerst wil ik dit zeggen: het verhaal dat in II Kon. 6 en 7 is opgetekend, is voor mij een van de aangrijpendste, ontstellendste, meest ontroerende, én ook een van de meest actuele verhalen in het Oude Testament.
Ik denk niet dat je dit verhaal kunt lezen, zonder er diep door geraakt en aangesproken te worden. Toen ik dit verhaal opnieuw las met het oog op deze dienst, vroeg ik mezelf af: Waar zou ik mezelf plaatsen in dit gebeuren? Welke rol zou ik aan mezelf toekennen?

Ik wil jullie vanmorgen uitnodigen om dit samen met mij te doen. Hoe passen wij in dit verhaal? Welke rol zouden wij kunnen spelen? Of laat ik het zo zeggen: welke rol zouden wij voor onszelf aanvaardbaar vinden? Dat wil zeggen: als je wel bereid bent, jezelf als deel van dit verhaal te beschouwen. Misschien zijn hier sommigen van ons die zeggen: met dit afschuwelijke verhaal heb ik absoluut niets op. Hier is voor mij geen rol in weggelegd. Ik herken me er totaal niet in.
En dan houdt het natuurlijk op. Ikzelf wil – samen met degenen die er ook bereid toe zijn – aan de slag gaan met de vraag: Waar pas ikzelf in dit verhaal in? Met welke rol kan ik mezelf vereenzelvigen?

Het verhaal begint met een afschuwelijk toneel. Koning Basa van Israël wordt in zijn hoofdstad, Samaria, belegerd door koning Benhadad van Aram. (Het Verbondsvolk Israël bestaat op dit moment uit 2 delen: Juda en de 10-Stammenrijk). De situatie is hachelijk. Het doel van een belegering is om de inwoners van een stad te verhongeren, en hen zodoende op de knieën te dwingen. En daar is koning Benhadad uitstekend in geslaagd: de prijs voor een ezelskop bedraagt tachtig sjekel zilver, en voor een pond duivendrek vijf sjekel. (Duivenmest gebruikten ze in plaats van zout). De mensen creperen en sterven van de honger.
Maar er is wel een réden voor deze afschuwelijke situatie (weet u, de armoede, het lijden en de ellende in de wereld komen niet zomaar uit de lucht vallen. En het is soms heel goed om eerlijk, open en oprecht te gaan kijken naar de ware oorzaken van armoede, honger en sterfte in de wereld)
Het zat zo: Deze koning Basa was in voortdurende (burger-)oorlog met koning Asa van Juda, en het gevolg: ellende. Trouwens, het beleg zelf was er ook een gevolg van: koning Asa heeft koning Benhadad overgehaald om zijn bondgenootschap met koning Basa te verbreken (als tegenprestatie stuurde hij wel al het goud en de zilver uit de tempel naar hem); en dat deed Benhadad, en hij keerde zich tegen koning Basa en belegerde Samaria. Daarom zeg ik: het kan soms goed zijn om naar de óórzaken van honger en armoede in de wereld te gaan kijken.
- Nog steeds vind ik het onbegrijpelijk, een mysterie dat er nooit echt genoeg geld is om de armen, en vooral ook degenen die sterven van de honger te helpen. Maar toen de rijken van Wall Street, en toen de bankiers in Oxford Street door hun eigen hebzucht en kortzichtigheid in de problemen geraakten, waren wij er als de kippen bij om met $ 700 miljard hen te redden. Het is wel een rare wereld waar we in wonen! Koning Basa vindt het allemaal heel erg wat er in zijn stad Samaria allemaal gebeurt; hij draagt zelfs een rouwkleed onder zijn bovenkleed. (Dit kan ik u verzekeren: er zijn mensen genoeg die het heel erg vinden wat er allemaal in de wereld gebeurt. Maar veel verder dan het erg vinden komen ze niet.) Koning Basa praat wel vroom, en hij draagt wel een rouwkleed, en hij scheurt wel zijn kleed, maar zijn hart is boos; hij is ook boos op God. Het zal wel God zijn schuld zijn. God moet maar helpen. Hij moet het maar oplossen. Nee, met deze koning Basa kunnen we ons niet echt identificeren. En ook niet met zijn adjudant. Die is net als zijn koning: cynisch 'De HEER heeft deze ellende over ons gebracht,' zei hij. 'Waarom zou ik mijn hoop dan nog op hem vestigen?' Hij komt wel op een heel merkwaardige wijze om het leven: wanneer hij samen met de koning de profeet Elisa bezoekt, spreekt Elisa een profetisch woord uit:

'Dit zegt de HEER: Morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Samaria één sjekel kosten, en twee schepel gerst ook één sjekel.'
En deze adjudant antwoordt:'Zelfs al zou de HEER de hemelsluizen openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!'
Hij gelooft er geen barst van! Vervolgens zegt de profeet: 'U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.'
En dat is precies wat gebeurt: de volgende dag, wanneer de mensen horen van groot vervloed, is er een stormloop bij de poort (bijna als op de dolle dwaze dagen van de Bijenkorf) en de adjudant wordt onder de voeten gelopen en hij sterft. Hij heeft de overvloed gezien, maar er niet van kunnen genieten!
Koning Basa en zijn adjudant met geen een van deze twee figuren wil ik me vereenzelvigen.
Nu komt het meest schokkende gedeelte van het verhaal: twee vrouwen, zo verhongerd, zo wanhopig – ze spreken af om hun eigen kinderen op te eten. (Waarschijnlijk en hopelijk waren ze reeds dood, gestorven van honger.) De ene dag eten ze het kind van de ene vrouw, maar als het kind van de andere aan de beurt is, heeft ze hem verstopt. Ze kan het niet over haar moederhart krijgen. Ik wil hier net lang bij stilstaan. Armoede is mensonterend. Honger drijft je om dingen te doen die je normaal niet zou doen.
Ik denk niet dat we voor een moment de ellende moeten onderschatten die sommige mensen in deze wereld te dragen hebben. Ik denk niet we kunnen ons voorstellen wat het betekent in Haïti te wonen (en dan bedoel ik niet alleen de aardbeving), of in Dafur, of in sloppenwijken, of op straat.
Deze mensen zouden zich best kunnen vereenzelvigen met de twee vrouwen. Maar wij niet. Ik denk niet dat wij in deze rol passen.
Opeens neemt het verhaal een heel interessante wending. Bij de stadspoort zijn er vier melaatsen.
Ze bevinden zich in een soort niemandsland. Absoluut geen uitzicht, geen hoop. Ze besluiten: als we hier blijven, sterven wij; als we naar de stad gaan, sterven we; als we naar de vijand over lopen, brengen ze ons misschien om, of misschien blijven we leven.
Vervolgens lezen wij: Bij het vallen van de avond gingen ze naar het kamp van de Arameeërs. Maar toen ze bij de rand van het kamp aankwamen, was er niemand te bekennen.
Er is namelijk in de tussentijd iets gebeurd – iets heel onverwacht en mysterieus – waarvan niemand wist. Iets dat door God is bewerkstelligd. Want kijk, het "probleem" met God is: Hij werkt heel stil, onopgemerkt. God doet dingen – vaak van de meest wonderlijke, onvoorstelbare dingen – waar we ons helemaal niet bewust van zijn.
De Heer had namelijk in het Aramese kamp het geluid laten klinken van paarden en wagens, van een groot leger, en de Arameeërs hadden tegen elkaar gezegd:'Hoor, de koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en van Egypte ingehuurd om ons aan te vallen.' Tegen het vallen van de avond waren ze er meteen vandoor gegaan, met achterlating van hun tenten, paarden en ezels. Ze hadden het kamp hals over kop verlaten en waren gevlucht om het vege lijf te redden.
En zo gebeurde het dat vier melaatsen, met geen enkele hoop, met geen enkel uitzicht, zich opeens te midden van een onvoorstelbare overvloed bevinden. Hoe ze ook grepen en graaiden, ze konden het niet op. Net als aasgieren zakten ze op de overvloed toe: Toen de vier mannen bij de rand van het kamp kwamen, gingen ze een tent binnen. Ze aten en dronken, en namen het goud en zilver en de kleren en dekens die ze er aantroffen mee. Nadat ze hun buit verstopt hadden, kwamen ze terug en gingen een volgende tent binnen. Ook wat ze daar vonden namen ze mee om het te verstoppen.
Hamsterweken waren het. Ze konden alles pakken wat hun hart begeerde, tot ze uiteindelijk alles hádden wat hun hart begeerden.Toen, uiteindelijk, kwamen ze tot bezinning. Uiteindelijk werden ze dit wat ze verondersteld waren om te zijn: niet graaiers enhamsteraars, maar brengers van goed nieuws: Maar ten slotte zeiden ze tegen elkaar: 'Wat we doen is niet goed. Er is vandaag goed nieuws"
En het goede nieuws, het "Evangelie" was: er is redding; en samen met de redding is er genoeg voor allemaal! Niemand hoeft honger te lijden! Is dat niet onvoorstelbaar goed nieuws? Het zal je misschien verbazen, maar in dit verhaal vind ik mezelf in de rol van een van de melaatsen terug. Dat is waar ikzelf in dit verhaal past. In eerste instantie: een melaatse. Want dat is waar we allemaal vandaan komen. In mijn verloren staat was ik een melaatse. Besmet. Stervend en verloren. "Zonder hoop en zonder God in deze wereld..." – dat was wat we allemaal horen.
En toen... toe kwamen we Jezus tegen. En Jezus genas ons, en redde ons, en verloste ons. (Ik moet altijd weer denken aan dat verhaal van de tien melaatsen: In Luc. 17 lezen wij: En het geschiedde gedurende zijn reis naar Jeruzalem, dat Hij dwars door Samaria en Galilea trok. En toen Hij een zeker dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatse mannen tegemoet, die op een afstand bleven staan. En zij verhieven hun stem en zeiden: Jezus, Meester, heb medelijden met ons!
En Hij zag hen aan en zeide tot hen: Gaat heen, toont u aan de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden. En één van hen keerde terug, toen hij zag, dat hij genezen was, met luider stem God verheerlijkende, en hij wierp zich op zijn aangezicht voor zijn voeten om Hem te danken. En dit was een Samaritaan. En Jezus antwoordde en zeide: Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen? Waren er dan geen anderen om terug te keren en God eer te geven, dan deze vreemdeling? En Hij zeide tot hem: Sta op, ga heen, uw geloof heeft u behouden.
Als gelovigen mogen we nooit vergeten waar we vandaan komen, en wat Jezus voor mij heeft betekend. Ik was melaats, en nu ben ik gereinigd. Ik was blind, nu kan ik zien. Ik was verloren, en nu gered. Ik leefde in volslagen armoede, onder het oordeel van God. En nu heb ik overvloed; ik ben kind van God!
Vier melaatse mannen, zonder hoop en zonder uitzicht in deze wereld, en opeens – door een wonder van God – bevinden ze zich te midden van een onvoorstelbare rijkdom en overvloed.
Dat is waar ik in dit verhaal past. Deze melaatsen... hebben ze iets gedaan om hun geluk en hun redding te bewerkstelligen? Nee! Het was een wonder en een genade van God!
En zeg me nu: wij dat wij in Nederland, een land van rijkdom en overvloed geboren zijn hebben we het aan onszelf te danken? En onze redding. Onze verlossing en dat we kinderen van God mogen zijn... Hebben we het zelf voor elkaar gekregen? We moeten oppassen dat de genade, de rijkdom, de overvloed, de onvoorstelbare rijkdom die wijnonverdiend van God hebben ontvangen, ons niet zelfzuchtig, hebberig, doof en blind maken!
Ze hadden opeens álles wat hun hart begeerde ze hadden overvloed en rijkdom, méér dan ze ooit op konden, en dat terwijl er mensen binnen een steenworp afstand van hen creperen van honger en ellende. En dan dat aangrijpend, dat ontroerend, dat gouden moment: Maar ten slotte zeiden ze tegen elkaar: 'Wat we doen is niet goed. Er is vandaag goed nieuws, en als we dat voor ons houden, raken we in de problemen...
Als ik de rijkdom en overvloed waarin ik leef, en die ik onverdiend, uit genade, van Gód ontvangen hebt, alleen maar voor mezelf houdt, te midden van honger, armoede en ellende, dan kan ik niet met mezelf leven. En daarom ga ik gaan wij een revolutie beginnen. Wij gaan de blijde boodschap, het Evangelie luid en duidelijk verkondigen: er is redding, er is hoop, er ís genoeg voor iedereen!
En wij gaan het doen in Woord en in daad!
Amen

Jaartekst: 2 Korinthe 5:17

pkn_logo

               "Als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden."

Leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig   

         van hart.