Online luisteren

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

In order to view this object you need Flash Player 9+ support!

Get Adobe Flash player

Preken

AVONDMAALSVIERING KONINGSKERK 12 - 07 - 2009

door ds. L. Krüger

Schriftlezing: Ex. 28: 6 - 21 (NBV)

Wij hebben het vanmorgen over een zaak die ik denk een ieder van ons de een of andere tijd bezig houdt.

Het is de vraag namelijk: houdt God nu echt zo veel van me?

Anders gezegd: hoeveel houdt God van me? – vooral gezien in het licht ervan dat ik niet echt een uitblinker ben; bovendien zijn er nogal elementen in mijn leven waar de buitenwereld misschien niet van weet, maar God wel, en ikzelf wel, en waar ik helemaal niet op trots ben.

De schaduwzijde van mijn leven en mijn geloof.

Het is vrij gemakkelijk om je door God geliefd te voelen als je vroom en keurig in de kerk zit of een tijdje lang goed je best gedaan hebt; maar soms stel je jezelf teleur, en je voel je stelt God teleur, en je ervaar een tegenslag of een teleurstelling, en dan krijg je dat gevoel:

Ze mogen al die mooie praatjes in de kerk hebben, en al die preken over hoeveel God van me houdt, en het is allemaal tegenwoordig zo leuk en gemakkelijk… - maar nee, ik heb mijn bedenkingen.

Want kijk, dat is een beetje het probleem: wij praten heel mooi en heel vroom in de kerk, en we zeggen dat we allerhande mooie en geweldige dingen geloven, maar de vraag is: is dat echt zo? Geloven we het écht? - Geloven we het niet alleen, maar beleven we het ook?

Ik wil je één ding verzekeren: als je iets werkelijk gelooft, verandert het je leven.

Ten diepste worden je leven, je manier van doen, ja zelfs je persoonlijkheid bepaald door wat je gelooft.

De vraag waar het vanmorgen over gaat: houdt God nu echt zo veel van me? Van míj?

In dit verband wil ik je 3 verhalen vertellen:

  • een verhaal over de zonen van Jacob (het gezin Jacobs)
  • een verhaal over de kleed van de hogepriester
  • een verhaal natuurlijk over… Jezus

In een bijeenkomst hier in de Koningskerk – een paar jaar geleden - stelde Hijltje Vink een keer een treffende vraag: had jíj naast het gezin van Jakob, zoon van Izaak, willen wonen?

Mijn antwoord: “ Ik niet!” Geef me dan maar liever de Tokkies – die zijn ten minste aardige, vredelievende, nette mensen. Maar die wilde jongens van Jakob als buren? – nee, hoor!

Er was nogal wat mis in het gezin Jacobs. Ook op seksueel gebied.

De oudste jongen, Ruben, werd om die reden onterfd - hij heeft namelijk met de vrouw van zijn vader geslapen. (Gen. 35: 22)

Ook bij Juda, nota bene de hoofderfgenaam en uitverkoren stamvader, kwam hoerenloperij, bloedschande en schrijnende schijnheiligheid op latere leeftijd om de hoek kijken. (Gen. 38)

Dochter Dina is slachtoffer van een verkrachting geworden, en als gevolg hiervan hebben haar heethoofd broers Simeon en Levi zich schuldig gemaakt aan een geweldsmisdrijf: uit wraak op wat hun zuster is aangedaan hebben ze een klein gehuchtje uitgemoord. (Gen. 34 )

(Hoe zou je het vinden? – de politie komt bij de buren aankloppen, ze zoeken die twee jongens die afgelopen nacht 80 mensen hebben vermoord!)

En waar ze allemaal schuldig aan waren: ze hebben hun broer Jozef aan vreemden verkocht, nadat ze hem eerst wilden doden.

Geen lieverdjes, die Jacobsjongens.

Je moet er niet aan denken hen als buren te hebben, laat staan nog in de familie.

Een broer verkocht, overspel, moord… dat speelt bij hen.

Echt een rotzooi.

Maar het aangrijpende is: God heeft hen niet de rug toegekeerd.

Nog steeds heeft Hij een plan met hun leven.

In I Kron. 5 lezen wij hoe wonderlijk God met een situatie als deze omgaat. Ruben wordt zijn eerstgeboorterecht ontnomen (Gen. 49: 4 en I Kron. 5: 1), en ook Simeon en Levi worden gediskwalificeerd voor deze positie.

Aan Juda – vierde in de rij – het voorrecht om de leidersrol op zich te nemen. Uit Juda zal de Messias geboren worden! (Gen. 49: 8 – 13 en I Kron. 5: 2 )

- Het allermooiste is echter het toekennen van de eerstgeboorterecht. Deze gaat naar… Jozef.

(I Kron. 5: 2) - Luister goed: het eerstgeboorterecht van de 12 zonen van Jacob (waarvan

haast de helft echte boeven waren) gaat over vanaf Ruben (deze heeft er een zooi van gemaakt) op Jozef.

En als er nu één figuur uit het Oude Testament is die – samen met koning David – een voorafschaduwing is van de Messias, dan is Jozef het.

Jozef wordt de ere-broer, de één die het weer goed maakt voor de gebroeders Jacobs.

Aangrijpend zijn zijn woorden aan zijn broers:

God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen;

zo wilde hij veel levens redden.

Houd dit verhaal even in je gedachten vast – het verhaal van de zonen van Jakob. En vraag jezelf tegelijk af: hoor ik er ook zo een beetje bij? (Nou, ik ben misschien niet veel beter dan deze wildebras-zonen van Jakob, maar veel slechter ben ik ook niet.

Wat mezelf betref: ik kan me best vereenzelvigen met de Jakobskinderen.)

II. Het tweede verhaal: de kleed van de Hogepriester.

In Ex. 28 wordt uitvoerig beschreven hoe de kleed van de hogepriester Aäron en zijn opvolgelingen eruit moest zien.

Een vrij saai, oninteressant gedeelte zou je zeggen – interessant alleen voor mensen met belangstelling voor kleding, handwerk en kostuums.

(Iemand zei afgelopen week tegen mij: nee, ik heb de Bijbel nog niet van begin naar eind gelezen, want er zitten van die saaie, oninteressant gedeelten tussen waar ik niet doorheen

kom – geslachtsregisters, beschrijvingen, afmetingen, wetten, rituelen.

Ik denk dat de beschrijving van de kleed van de hogepriester voor sommigen ook een haast-niet-doorheen-te-komen gedeelte is.)

Maar juist in deze uitgebreide, nauwkeurige beschrijving van de kleed van de hogepriester zit er een aangrijpende waarheid.

Ik wil de aandacht op alleen twee aspecten vestigen:

I Het boven-schort van de hogepriester bestond uit 2 delen: een voor- en een achterdeel.

Deze werden op de schouders aan elkaar gehecht door een schouderstuk aan elke kant.

Wat betreft de twee schouderstukken, zei God tegen Mozes:

Neem twee onyxstenen en graveer daarin de namen van Israëls zonen:

zes in de ene steen en zes in de andere, in de volgorde van hun geboorte.

Dat graveren moet door een kundig vakman gebeuren, hij moet de namen in de stenen

snijden zoals men zegelstenen snijdt.

Vat beide stenen in gouden kassen

en zet ze op de schouderstukken van de priesterschort:

wanneer Aäron voor de HEER verschijnt en de namen van de Israëlieten op zijn

schouders draagt,

zal de HEER aan de Israëlieten herinnerd worden.

Dus: wanneer de hogepriester het heiligdom (dat allerheiligst gedeelte van de tabernakel, en later de tempel) binnen kwam, en God keek van boven op hem neer, dan is het eerste wat Hij ziet, de namen van deze zonen van Jakob. Niet alleen de naam van de voorbeeldige Jozef, en

misschien ook van Benjamin en een of twee van de “netter” zonen – nee, alle twaalf namen staan er!

En God kijkt met liefde, en ontroering en genegenheid en zorg naar een ieder van deze namen.

En God zegt tegen Zichzelf: “Deze jongens zal ik nooit vergeten en nóóit in de steek laten – ze zij mijn geliefden, Ik heb voor hen gekozen!”

(God liet niet de namen van de zonen van Jakob op de schouderstukken graveren omdat Hij bang was dat Hij hen anders zou vergeten - nee, Hij vond het fijn geregeld aan hen herinnerd te worden. Net zoals wij foto’s van onze ouders, of kinderen, of kleinkinderen, of broers en zusters in de kamer of in de slaapkamer zetten om aan hen herinnerd te worden.)

Maar er is iets nóg meer aangrijpend aan de bovenstuk van de priesterkleed – namelijk de voorkant. Over zijn borst moest de hogepriester een kledingstuk dragen die de “borsttas” heet.

In deze tas werden de twee “orakelstenen” gedragen, die gebruikt werden om de Here te raadplegen.

Waar ik vooral bij wil stilstaan, is de buitenkant van de borsttas:

Maak een borsttas voor de orakelstenen.

Deze moet even vakkundig geweven worden als de priesterschort, van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Dubbelgeslagen moet het weefsel vierkant zijn, een span lang en een span breed.

Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; - de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist,

en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat.

Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van Israëls zonen:

in elke steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden,

zoals men zegelstenen snijdt.

Ik zei het straks al:

wanneer de hogepriester het heiligdom, het allerheiligst, binnen ging, en God keek van boven op hem neer, dan is het eerste wat Hij ziet, de namen van deze zonen van Jakob.

Maar voor God was dat nog niet genoeg: Hij wist dat er ook een moment zou komen dat Hij niet van boven, maar van aangezicht tot aangezicht naar de hogepriester zou kijken

(je kunt ook zeggen: God hield ook rekening met het perspectief vanaf de Ark van het Verbond – de ruimte waar de verzoening plaats vond).

Daarom beveelt Hij Mozes nu om ook aan de voorkant, op de borst van de hogepriester de – je kunt zeggen: - mooie, stralende kleurenfoto’s van de twaalf jongens van Israël aan te brengen.

Uiteraard niet letterlijk kleurenfoto’s, maar wel edelstenen met ieders eigen naam in zijn steen gegraveerd.

Deze edelstenen bleven er niet alleen maar zo lang de twaalf zonen van Jakob leefden; nee, ze

bleven er ook voor de stammen.

Wanneer God dus de edelsteen ziet van zeg maar Juda, dan ziet Hij meteen het hele nageslacht van Juda – íédere Israëliet die tot de stam van Juda behoort ziet Hij met dezelfde liefde, genegenheid, zorg en ontferming aan.

Nu kun je zeggen: wat geweldig! Wat houdt God toch heel veel van zijn volk Israël, en van iedere Israëliet.

Maar wij dan? … ik dan?

III Het derde verhaal – het mooiste van allemaal!:

De hogepriesterkleed waar we het zo pas over hebben gehad, wordt nog steeds gedragen.

Maar niet door de hogepriester van Israël (voor zo ver ik weet is deze er niet meer)

En ook niet in het allerheiligste van de tempel (de tempel is in 70 n. C. finaal verwoest; er is alleen nog maar een stuk Klaagmuur over)

- nee, de Hogepriesterkleed wordt nu door Jezus gedragen, recht in Gods aanwezigheid, in de hemel.

Dat lezen wij op aangrijpende wijze in de brief aan de Hebreën.

Weet je hoeveel keer verwijst de schrijver van deze brief pertinent naar Jezus als onze hemelse Hogepriester? … 12 keer!!!

Ik noem je alleen 3 verzen:

Hebr. 8: 1: - De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel

plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit

Hebr. 9: 11: Christus daarentegen is aangetreden als hogepriester

van al het goede dat ons is toebedacht:

hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent – die niet door

mensenhanden gemaakt is en niet behoort tot onze schepping –

voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan,

en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft hij een eeuwige verlossing verworven.

Hebr. 3: 1 U allen, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden,

Dit is het antwoord.

Als je de vraag zou stellen… of als je zelfs met de vraag zou worstelen: houd God echt van me? Hoevéél hou Hij van mij?

Dan is dit het antwoord:

In de hoogste hemelen, recht in de tegenwoordigheid van God, staat er een Hogepriester, Jezus. En Hij heeft een prachtig kleed aan.

Deel van zijn kleed is de borsttas.

Deze borsttas is versiert met prachtige edelstenen.

En één van deze edelstenen herinnert God aan… mij!

En God denkt aan mij – liefdevol, vol genegenheid, zorg en ontferming.

Zoveel houdt God van mij: voor Hem ben ik een edelsteen, net als die jongens van Jakob!

Jaartekst: 2 Korinthe 5:17

pkn_logo

               "Als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden."

Leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig   

         van hart.